Klimaatgovernance in de energieke samenleving: een geval van (de)politisering?

Klimaatverandering is een contentieus probleem dat model staat voor veel andere ‘wicked problems’. Politisering van ‘het klimaat’ wordt door diverse commentatoren gezien als een hinderpaal voor het realiseren van adequaat klimaatbeleid: de (technische) oplossing wordt in hun ogen in de weg gestaan door ideologisering en door beroepspolitici die hun oren laten hangen naar de belangen van partij en achterban, in plaats van te luisteren naar common sense. Eerder schreef ik daar al deze blog over.

In het najaarsnummer van Sociologie verschijnt een themakatern over (de)politisering. In dit themakatern, dat gevuld zal worden met kritische, essayistische beschouwingen, worden auteurs gevraagd te reflecteren op de politieke ontwikkelingen in de afgelopen vijf jaar en vooruit te kijken naar de toekomst. Welke onderwerpen hebben meer politieke aandacht gekregen, en welke thema’s zijn juist van de politieke agenda verdwenen, hoe moeten we die verandering in politieke aandacht duiden, en wat zijn daarvan de consequenties voor politiek en maatschappij?

Mijn bijdrage gaat over het klimaatbeleid in de energieke samenleving. Zijn actuele sturingsmechanismen en taakopvattingen, die toenemend vervlochten raken tussen markt, overheid en samenleving, misschien voorbeelden van depolitisering van klimaatbeleid? Of betekent de verweving van governance door het geheel van de maatschappij een verrijking van het politieke arsenaal voor burgers?

In het alledaags gebruik verwijst ‘politisering’ vaak naar partijpolitieke of ideologische dramatisering van maatschappelijke kwesties, waarbij het algemeen belang uit zicht raakt. Maar de geldigheid van dit frame is discutabel. Wie de evolutie van het Nederlands en internationaal klimaatbeleid bekijkt, met een governancestructuur die breder en fijnmaziger lijkt te worden, komt niet goed met het begrippenpaar politisering/depolitisering uit. Toch is een politieke analyse van huidige klimaatgovernance vanuit processen van (de)politisering zinvol en relevant. Mijn essay concludeert dat ‘politisering’, hoewel het geenszins de brede appeal heeft die voor het verdiepen van de politieke ruimte nodig is, een belangrijke plaats heeft als tegenwicht voor de depolitiserende neiging van het governancediscours.