Tijdgeld

Prof. Edgar Cahn, ooit speechschrijver voor Robert F. Kennedy, raakte in 1980 aan het bed gekluisterd door een zware hartaanval. Het maakte hem volledig afhankelijk van de zorg van professionals, familie en vrienden. Als invloedrijke rechtsgeleerde was hij gewend de touwtjes in handen te hebben. Maar ineens zag hij zichzelf in een afhankelijke situatie, vergelijkbaar met die waarin vele ‘onrendabele’ Amerikanen verkeerden: die van (een in elk geval economische) verschoppeling. De competitieve economie zet de minder fortuinlijken op een zijspoor dat ze al snel het gevoel geeft een ‘wegwerpburger’ te zijn. Maar niemand is toch waardeloos?, zei Cahn tegen zichzelf. Vrijwel iedereen kan toch een bijdrage leveren – al is het burenhulp, wat vrijwilligerswerk hier en daar, of ander liefdewerk. Cahn kreeg de ingeving dat iedereen die tijd besteedt aan iets dat nuttig en waardevol is voor een ander, recht zou kunnen hebben op een gelijke hoeveelheid tijd van een ander, om zelf mee geholpen te kunnen worden. Hij muntte dit – letterlijk – als Time Banking: elkaar betalen met eenheden tijd, bijvoorbeeld met biljetten van ‘een uur’.

Makkie

Cahn implementeerde zijn Time Dollars voor het eerst in 1986 in onderwijs- en gezondheidszorgprojecten in Washington D.C., en later in Florida en Chicago. Er heerste grote nood als gevolg van de bezuinigingen in de jaren tachtig. De werkloosheid was torenhoog – maar sociale voorzieningen waren er nauwelijks. Door elkaar met uren te betalen, was ieders tijd ineens ‘geld’ waard, maar andermans tijd werd ook gelijk ‘betaalbaar’.

Het idee werd snel door andere groeperingen opgepakt. In 2000 telde de wereld ongeveer driehonderd tijdbanken, waarvan 29 in het Verenigd Koninkrijk en een overdonderende meerderheid in Japan (waar men vóór Cahn al vergelijkbare systemen kende onder de noemer Fureai Kippu).

In Nederland bestaan een paar complementaire muntsystemen die op tijdgeld zijn geïnspireerd. In Amsterdam Oost is in 2012 de Makkie gelanceerd, met biljetten van een half en een heel uur. Op internet is een platform voor vraag en aanbod van onderlinge diensten. De bijzonderheid van de Makkie is dat de biljetten in omloop worden gebracht wanneer bewoners klusjes doen voor gemeenschappelijke projecten – de zogenoemde ‘verdienlijst’. Reinig je bijvoorbeeld in twee uur tijd het trapportaal of kuis je het perkje van één van de woningblokken van de lokale corporatie, dan ontvang je van hun twee Makkies. Deze zijn vervolgens uit te geven bij de buren, maar ook bij de lokale bioscoop of schaatsbaan – voor twee Makkies mag je in daluren naar hartenlust pootje-over. Een ander Nederlands project is WeHelpen, een uitwisselplatform voor niet-professionele zorgtaken.

Verlegen

Dit soort tijdbanksystemen richten zich vaak op het stimuleren van vrijwilligerswerk. Ondanks de stevige positie die het vrijwilligerswerk in Nederland heeft verworven, is de één-op-één-hulp minder vanzelfsprekend geworden. De overheid heeft veel sociale taken overgenomen. Maar de bereidheid om anderen te helpen is nooit verdwenen, zo stelt bijvoorbeeld Qoin, de architect van de Makkie. De hulpvaardigheid heeft alleen een zetje nodig. En dat gebeurt door het invoeren van een munt als deze. Het stimuleert niet alleen mensen om hulp te geven, maar maakt het ook gemakkelijker om hulp te vragen. Want velen zijn terughoudend en verlegen als het gaat om het vragen van zorg en aandacht. Dat hef je op door middel van de ruileenheid.

Maar ook voor wie een stap verder wil gaan dan deze concrete toepassingen kan het concept van tijdgeld aantrekkelijk zijn. Tijd is een merkwaardige grootheid: iedereen heeft er evenveel van – althans, gemeten over een bepaalde tijdspanne – en het is onvervreemdbaar. Zou je tijd nemen als uitgangspunt voor je economie, dan heeft dat een enorme emanciperende werking.

In The new wealth of time (2011) omschrijft de Britse New Economics Foundation (NEF) het begrip ‘kerneconomie’ als alle activiteiten van wederzijdse hulp en dienstverlening die niet in de markt worden beprijsd en betaald. Naast zorgtaken en vrijwilligerswerk behoort ook opvoeding hiertoe. Dit is, wat NEF betreft, het domein waar tijdbanken een rol kunnen spelen.

De scheidslijn tussen taken die wel en niet betaald worden is echter door de jaren heen verschoven. Sommige activiteiten zijn intussen door de staat georganiseerd, en vele door de markt. Charles Eisenstein lamenteert in Sacred Economics (2011) de tendens van het kapitalisme om meer diensten te ‘kapitaliseren’ die voorheen gratis waren. Waren schoon drinkwater en voedsel vroeger zaken die je zelf regelde, nu wordt het vruchtgebruik van de aarde tot een winstmachine gemaakt. En dat geldt ook voor menselijke diensten: een eeuw geleden bakten wij nog ons eigen brood en werd de zorg voor opoe onderling geregeld. Met het wasdom van het kapitalisme is deze ‘gift economy’ ten grave gedragen.

Tijdgeld zou voor een ommekeer kunnen zorgen. Bij dit soort primaire activiteiten – we zouden nu ‘laaggeschoolde’ zeggen – is elk uur ongeveer evenveel waard, ook als ze intussen als betaalde baan worden verricht. Geldwaarde en tijdwaarde lopen in de kerneconomie, waar we in ons alledaags leven het meest van afhankelijk zijn, maar weinig uit de pas. De kerneconomie is dus goed in tijdwaarde uit te drukken. De uitzuigende werking van het kapitalisme kan buiten de deur worden gehouden als we tijd ook daadwerkelijk als munteenheid nemen. Het tijdbankieren is in feite een verstrekkend alternatief dat de grond onder het kapitalisme wegslaat. Tijdgeld kan immers niet renderen: tijd is tijd, en geen groeimachine.

Is de tijd rijp?

Complementaire munten, waar ook tijdgeldsystemen toe worden gerekend, stellen de regionale kerneconomie centraal en proberen een tegenwicht te vormen voor het kapitalisme dat ‘onrendabelen’ uitsluit. Tijdgeld is een interessant en valide uitgangspunt voor een ruileconomie, maar het voorziet niet in andere functies van geld, zoals sparen en investeren. Als je eraan wil verdienen, lonkt echt geld dus waarschijnlijk meer. In de huidige opzet slaan de tijdbanken daarom ook nog niet sterk aan. Er zijn er flink wat, maar de hoeveelheid gebruikers en transacties is doorgaans laag. Het in muntvorm gieten van de ‘gift economy’ is schijnbaar niet genoeg om het neoliberale spook te verjagen. Misschien moeten we eerst anders naar ‘tijd’ leren kijken?

Geplaatst in de Helling 2, 2014