Twee versies van de circulaire economie

Mijn boek De circulaire economie: waarom productie, consumptie en groei fundamenteel anders moeten is weer beschikbaar nu de tweede druk het levenslicht heeft gezien. Bestellen kan via uw boekhandel of diverse webwinkels. Hieronder een teaser uit de conclusie van mijn boek!


De circulaire economie geldt voor twee uitersten binnen het debat over economische groei als wenkend perspectief. Zowel zij die menen dat het allemaal een tandje minder moet met de consumptie, als zij die van de technologie verwachten dat ze in de afzienbare toekomst een hoorn des overvloeds zal voortbrengen, zien in het kringloopdenken de uitkomst voor de huidige milieuproblematiek. Simpel gezegd is er sprake van twee ‘bloedgroepen’, ogenschijnlijk gescheiden langs de lijn van een optimistische tegenover een pessimistische kijk op de problematiek: het geloof in het bestaan van ruim voldoende manoeuvreerruimte om een schonere economie te bereiken en daarbij het welvaartsniveau voor iedereen op peil te houden, of een gebrek aan dat geloof.

Op basis daarvan zijn twee versies van de circulaire economie te onderscheiden. Aan de ene kant een ‘modernistisch’ model, waarin de circulaire economie een oplossing is om een hoge mate van consumptie te kunnen volhouden. Die consumptie behoort wel steeds minder ‘materieel’ te worden en meer uit dienstverlening te gaan bestaan, bijvoorbeeld via leaseconstructies. Innovaties op het gebied van de IT, logistiek, energie, productie en recycling maken in dit denken een economie mogelijk waarin er weinig beperkingen meer zijn aan het circuleren en vernieuwen van goederen. ‘Overvloed’ is hier dus een kernwoord en de circulaire economie is een vooruitgangsideaal, waarbij wordt vertrouwd op technologie, nieuwe businessmodellen en maatschappelijk bewustzijn. Spullen zijn vluchtig, en geld fungeert–nog meer dan het nu al doet–als smeermiddel van de economie.

Daar tegenover staat een meer ingetogen circulair model, passend in de ecologische traditie (bijv. Blom 2015). Daarin is de circulaire economie slechts één van een reeks structurele veranderingen in de maatschappij die noodzakelijk zijn om een hernieuwde balans tussen de menselijke activiteiten en het ecosysteem te vinden. De mogelijkheid om een economie te laten draaien en groeien op immateriële dienstverlening wordt gewantrouwd; de nadruk ligt meer op de vermindering van de commerciële consumptie in het algemeen. Het ‘einde van het bezit’ staat hier niet als een huis. Deze economie draait juist op individuen en gemeenschappen die goederen en diensten zelf (her)produceren en daartoe de middelen in eigendom hebben. De oplossing voor het grondstoffenvraagstuk in dit denken is het zo traag mogelijk laten circuleren van kwalitatief hoogwaardige materialen in de economie. Liever wordt een grote voorraad goederen zo goed mogelijk onderhouden, zowel op niveau van de gehele economie als van de huishoudens, want het in eigen beheer hebben van spullen zorgt voor een zorgvuldiger omgang ermee, en vermindert de rol van geld als spaar- en smeermiddel (zie ook Daly 1977 en Lietaer et al. 2012). …

Wat zijn de knoppen waar aan kan worden gedraaid om een duurzame en sociale circulaire economie te doen ontstaan? Als eerste valt te denken aan het overheidsbeleid. De overheid heeft grote invloed door de belastingen die ze heft. Belastingen zijn een zeer bepalend instrument, niet alleen voor het ontmoedigen van grondstoffengebruik en milieuvervuiling, maar ook voor het maken of breken van een economie van het delen en co-creatie. Kennis, creativiteit en arbeid zijn immateriële waardetoevoegingen die zo weinig mogelijk belast moeten worden. Op dit moment is een dergelijke fiscale vergroening nog niet in zicht, terwijl de ‘deeleconomie’ zich in razend tempo realiseert. Dergelijke ‘alternatieve transactiestructuren’ verdienen het om op dit vlak het voordeel van de twijfel te genieten, en in juridisch en fiscaal opzicht de ruimte te krijgen. Hetzelfde geldt voor coöperatieve productiewijzen. Anders gezegd: de politieke agenda voor de circulaire economie moet worden afgestemd met de nog ontluikende maar wereldwijde beweging van de commons.

Op het gebied van de formele economie mag de overheid juist de touwtjes wat strakker in handen nemen. Bedrijven heten efficiënt te zijn, maar de schadelijke praktijken worden er niet beduidend minder om. Door middel van voorschriften aan het materiaalgebruik kan de overheid materiaalkringlopen beheersbaar maken. Sterker nog, juist hogere overheden en grote bedrijven zijn in staat middels milieuboekhoudingen, rapportages, belastingen en marktsystemen de grote schaarse hulpbronnen (zeldzame metalen, fosfaat, broeikasgasemissies) volgens wetenschappelijke inzichten te verdelen. Daarbij treedt de overheid op als rentmeester van de commons en als ‘makelaar’ tussen de domeinen van de markt en de gemeenschap. Alleen zo kan er een duurzame en democratische circulaire economie ontstaan.